Ode aan de vis
door Marian van Zwienen
Op een mooie dag aan de plas
Geniet je van het mooie weer
Banjert wat door het struikgewas
Maar je maag gaat zo tekeer.
Je hebt opeens enorme trek
In een gegrilde kippenbout
Het verlangen maakt je gek
Lekker sappig, niet te zout.
Je hoort iets in het riet
Het water toont ook minder stil
Wat het is dat weet je niet
Maar wel iets dat je weten wil.
Je baant je weg door riet en struiken
Gelokt door een geur waar je van houdt
Hoe kan het hier zo lekker ruiken?
Krijg nou wat! Daar ligt een kippenbout!
Je kijkt eerst goed in het rond
En neemt een grote hap
Je voelt iets steken in je mond
Je schrikt, maar t gaat zo rap!
Je wordt het water in gesleurd
Met een piercing door je lip
Beseft niet eens wat er gebeurd
2 vissen zeggen ohh die is pas dik!
Aan de haak in je mond
Zit een transparante lijn
Die snijd nog extra in de wond
Je trek verandert nu in pijn.
Onder water al die tijd
Nogal last van ademnood
Je kippenbout inmiddels kwijt
Je denkt, dit was het dan, nu ga ik dood
Door een sterke vis vast gegrepen
Die graag met je op de foto wilt
Er wordt uitgebreid naar je gekeken
En je wordt nogmaals opgetild.
Overtuigt dat het niet erger kan
Denk je: overleven kan ik wel vergeten
Is daar dat kusje op je rechter wang
En wordt je de kant weer op gesmeten!
© Marian van Zwienen. 2015
Lees het hele gedicht